Ziekteverschijnselen
Hyperglykemie
Suikerziekten zijn stofwisselingsziekten die worden gekenmerkt door een verhoogde bloedsuikerconcentratie. Die concentratie schommelt bij gezonde mensen tussen 4 en 8 mmol/l gedurende het etmaal (2). Een bloedspiegel minder dan 4 is te laag (hypoglykemie); waarden boven 8 zijn te hoog (hyperglykemie). Maar pas bij een hyperglykemie boven 11 mmol/l spreekt men van diabetes (1,7). Want pas dan begint de uitscheiding van suiker in de urine en gaan zich acute ziekteverschijnselen ontwikkelen. Het Expert Committee on the Diagnosis and Classification of Diabetes Mellitus onderscheidt bij de mens 60 verschillende suikerziekten (1). Daarvan heeft circa 90% ouderdomssuiker of diabetes mellitus type 2 (4); 5,5% heeft jeugddiabetes of diabetes mellitus type 1 (5). Ongeveer 3% lijdt aan MODY (Maturity-Onset Diabetes of the Young) (2). Vrouwen met zwangerschapsdiabetes en patiënten met 56 andere soorten suikerziekten vormen 1,5% van het totaal.
Aantallen
In 2010 werden in Nederland naar schatting 922.000 diabetici behandeld (6). Circa 830.000 van hen (90%) voor ouderdomssuiker. Dat ontwikkelt zich langzaam en kan jarenlang (10 jaar? 20 jaar?) onopgemerkt blijven doordat geen acute ziektesymptomen merkbaar zijn. Het aantal mensen met ouderdomssuiker is daardoor in feite veel groter dan de 830.000 die er dagelijks voor worden behandeld: specialisten schatten dat er nog eens evenveel mensen zijn met prediabetes (4). Daarmee zouden in totaal ruim 1,5 miljoen Nederlanders (10% van de bevolking) type 2-diabetes hebben. Tel daarbij 50.000 patiënten met jeugddiabetes (5,5% van 922.000), 28.000 met MODY (3%) en 14.000 patiënten met overige suikerziekten (1,5%) en de omvang van het huidige diabetesprobleem in Nederland (en niet alleen hier) wordt duidelijk.
Oorzaak
De oorzaak van hyperglykemie (concentraties boven 8) is een storing in de insulineproductie, in de werking van insuline of beide. Insuline activeert de glucosereceptoren in de orgaanmembranen om glucose uit het bloed op te nemen waardoor de bloedspiegel niet verder stijgt. Zonder insuline laten de ‘glucosepoortjes’ geen bloedsuiker binnen in de organen. Bij patiënten met jeugddiabetes is de productie van eigen insuline gestopt: ze hebben een ‘absoluut insulinegebrek’. Bij patiënten met ouderdomssuiker is de insulineproductie aanvankelijk intact, maar bij hen is de gevoeligheid van de glucosereceptoren voor de werking van het hormoon verminderd: ‘insulineresistentie’ wordt dat genoemd. Daardoor is de insulinespiegel in het bloed niet hoog genoeg om de glucosepoortjes van de organen te openen. Ouderdomsdiabeten hebben dus een ‘relatief insulinegebrek’. Het resultaat van beide is dat bij patiënten met jeugddiabetes en met ouderdomssuiker te weinig glucose in de organen wordt opgenomen en de bloedsuikerspiegel te hoog blijft.
Prediabetes
De bloedsuikerconcentratie bij gezonde mensen wordt niet hoger dan 8 mmol/l. Zelfs na maaltijden met veel koolhydraten en suiker is dat de maximale waarde (2). Toch spreekt men pas van diabetes als de bloedglucosespiegel hoger is dan 11 mmol/l (7). Dat is de nierdrempel voor glucose en pas als die wordt overschreden, begint de uitscheiding van suiker in de urine. En dat is de oorzaak dat er meer dan normaal wordt geplast en gedronken: vandaar diabetes (doorstroom). Bloedsuikerspiegels tussen 8 en 11 zijn te hoog maar daarbij wordt nog normaal geplast en gedronken. Vandaar de naam prediabetes bij bloedsuikerspiegels van 8,1 t/m 11 mmol/l. Acute symptomen ontbreken maar prediabetes heeft wel schadelijke gevolgen op de lange termijn.
Hersens, nieren en rode bloedcellen
In de hersens, de nieren en rode bloedcellen is de interne glucoseconcentratie gelijk aan de bloedsuikerspiegel. Want deze organen hebben voor de opname van glucose uit het bloed geen insuline nodig: de bloedsuiker diffundeert eenvoudig door de membranen. Daardoor ondervinden juist de hersens, nieren en rode bloedcellen de gevolgen van te hoge bloedglucoseconcentraties die op de langere duur de binnenwand aantasten van de kleine bloedvaatjes in de hersens en de nieren. De rode bloedcellen hebben geen bloedvaten, maar de daarin aanwezige rode bloedkleurstof wordt hierdoor ten dele versuikerd. Doordat insulinegebrek de opname van glucose in de meeste organen belemmert, stijgt de bloedsuikerspiegel. Daardoor wordt de glucoseconcentratie in de hersens, de nieren en rode bloedcellen te hoog en onstaat vaatletsel in de hersens en de nieren terwijl in de rode bloedcellen de A1C-fractie (versuikerd deel van de rode bloedkleurstof) stijgt.
Slagaderverkalking
Alle andere organen zijn voor de opname van glucose uit het bloed afhankelijk van insuline. Door insulinegebrek (absoluut of relatief) ontstaat een glucosetekort in de organen en blijft de bloedsuikerspiegel te hoog. Ook bij prediabetes is insulineresistentie aanwezig en wordt te weinig glucose in de organen opgenomen. Vandaar de bloedsuikerspiegels van 8 tot 11. Dus bij (pre)diabetes komen alle organen (m.u.v. hersens, nieren en rode bloedcellen) glucose tekort. Om dit gebrek aan energie te compenseren, gaan ze dan lichaamsvet verbranden. Maar dat verhoogt de cholesterolspiegels en dat heeft weer slagaderverkalking (atherosclerose) tot gevolg. Dus bij onbehandelde en slecht gereguleerde diabetes is insulinegebrek (absoluut of relatief) de oorzaak van te hoge cholesterolspiegels en slagaderverkalking bijv. in de kransslagaders van het hart. Dat risico betreft zowel jeugddiabeten als patiënten met ouderdomssuiker.
Ogen en geslachtsorganen
Door insulinegebrek onstaan bijzondere problemen in de ogen en de geslachtsklieren (eierstokken en testikels). Ook deze organen zijn voor de opname van glucose uit het bloed afhankelijk van insuline en bij een gebrek door (pre)diabetes ontstaat dus een intern glucosetekort. Maar het netvlies in de ogen en het kiemepitheel in de geslachtsklieren zijn dan niet in staat tot vetverbranding als alternatieve energievoorziening. Daardoor kunnen bij (pre)diabetes op de langere duur functiestoornissen ontstaan in de ogen en de geslachtsklieren.
Diabetes
Een hyperglykemie boven 11 mmol/l geldt als diabetes (1,7). Daarbij wordt de nierdrempel overschreden en begint de uitscheiding van glucose in de urine. Bij een bloedsuikerspiegel van bijv. 20 mmol/l gaat circa 100 gram glucose per dag met de urine verloren. En bij ernstige diabetes zijn bloedspiegels mogelijk boven 60 mmol/l (7). Het glucoseverlies met de urine is dan groot. Daarbij wordt veel urine geproduceerd. Dat vochtverlies veroorzaakt voortdurend dorst en daardoor drinken onbehandelde diabetespatiënten veel: wel 10 liter per dag (en nacht) en ze plassen daarbij dienovereenkomstige hoeveelheden. Vandaar de naam diabetes (doorstroom).
Door het glucosetekort in hun spieren en andere organen voelen diabetici zich altijd moe. Dat glucosetekort treft ook het hongercentrum. Dit reageert door de eetlust te stimuleren, zowel bij jeugddiabeten als bij patiënten met ouderdomssuiker. Maar er is daarbij een merkwaardig verschil tussen de twee.
Gewicht
Onbehandelde patiënten met jeugddiabetes eten zeer veel maar ze worden desondanks graat-mager. Door absoluut insulinegebrek kan geen glucose worden opgenomen in hun organen. Die schakelen over op de verbranding van lichaamsvet en vervolgens wordt ook het spiereiwit verbrand als alternatieve energievoorziening. Hun vetreserves verdwijnen en hun spieren ‘smelten weg’ (7). Ze worden cachectisch en sterven van uitputting.

Jongen met onbehandelde jeugddiabetes (links) en dezelfde jongen
na enkele maanden behandeling met insuline (8)
Onbehandelde patiënten met ouderdomssuiker eten ook veel maar zij krijgen daardoor overgewicht: 80 tot 85% van hen is (veel) te dik. Hun insulineresistentie veroorzaakt wel glucosetekorten in hun organen maar de insulineresistentie van de vetdepots valt kennelijk mee want daarin kan nog wel glucose worden opgenomen en als vet worden opgeslagen. Vandaar de gewichtstoename.
Oorzaak en gevolg
Tussen overgewicht en ouderdomssuiker bestaat een associatie: bij mensen met overgewicht wordt veel vaker ouderdomssuiker vastgesteld dan bij mensen met een normaal of laag gewicht. Dat wordt uitgelegd als oorzaak en gevolg: door overgewicht krijg je diabetes. Dat is onjuist. De associatie geldt evenzeer in het omgekeerde geval: als ouderdomssuiker de oorzaak is van overgewicht. De verklaring hiervoor is dat insulineresistentie een glucosetekort in het hongercentrum veroorzaakt en daardoor de eetlust verhoogt. En daardoor ontstaat overgewicht. Bovendien verdwijnt dat overgewicht vaak weer bij patiënten met ouderdomssuiker nadat ze zorgvuldig zijn ingesteld en hun bloedsuikerspiegel weer binnen de normale grenzen blijft van 4 tot 8 mmol/l.
Conclusies
1. Bij prediabetes is door insulineresistentie de bloedsuikerconcentratie te hoog (boven 8 mmol/l);
maar daarbij wordt de diabetische grens (11 mmol/l) niet overschreden.
2. Gevolgen van langdurig te hoge bloedsuikerspiegels bij (pre)diabetes zijn beschadiging van kleine bloedvaatjes in de
hersens en nieren en versuikeren van de rode bloedkleurstof (verhoogde A1c-waarden); bovendien ontstaan slagaderverkalking (infarcten) en problemen met de
ogen en gestoorde vruchtbaarheid.
3. Acute symptomen van onbehandelde jeugddiabetes zijn: veel plassen, veel drinken,
vermoeidheid, veel eten en vermagering.
4. Acute symptomen van onbehandelde ouderdomssuiker zijn: veel plassen, veel drinken,
vermoeidheid, veel eten en overgewicht.
5. Overgewicht is niet de oorzaak van ouderdomssuiker maar vaak het gevolg ervan.
Bronnen
1. American Diabetes Association (2010). Diabetes Care 33: supplement 1 S62-S69; Diagnosis and Classification of Diabetes Mellitus.
2. Guyton AC and Hall JE (2011). Insulin, Glucagon and Diabetes Mellitus; Textbook of Medical Physiology 12th ed.; ISBN 978-1-4160-4574-8; p 939-954;
3. Koning E de (2011). Bloedsuiker 26e jaargang nr. 2; p 10-11 (interview door M. Bedaf).
MODY: veel diabetes binnen één familie.
4. Kooy A (2010). Diabetes Mellitus; nieuwe inzichten en behandelingsopties anno 2010; ISBN 978-90-313-7434-2
5. LUMC afdeling endocrinologie (2012). Voorlichtingsfolder Diabetes mellitus type 1.
6. Shaw JE, Sicree RA and Zimmet PZ (2010). Diabetes Research and Clinical Practice 87: p 4-14 Global estimates of the prevalence of diabetes for 2010 and 2030.
7. Tack CJ en Stehouwer CDA (2010). Diabetes mellitus. Interne geneeskunde; 4e druk;
ISBN 978-90-313-7360-4; p 835-865
8. Wientjens Wim (2008). Diabetes … Nou en? Zeventig jaar belevenissen. Novo Nordisk BV;
ISBN 978-90-804452-7-7; p 15
© Rogier Verberne
ISBN: 978-90-812153-9-8
www.over-suikerziekte.nl
andere e-boeken van Rogier Verberne
Q-koorts, de Australische tekenbeetkoorts
Veterinaire Verhalen over Vee en Paarden
Vergelijking van racefiets en ligfiets
|